EEN KWARTIER VOOR GOD
Elke keer als ik in Amsterdam door de Kalverstraat
loop en de bovenstaande wervende tekst zie, komen er allerlei herinneringen bij
me op. Toch is het een hele tijd geleden dat ik de Petrus en Pauluskerk oftewel
de Papegaai even binnen gelopen ben. Herinneringen kunnen in de loop van de
tijd een eigen leven gaan lijden en ik ben altijd een beetje bang om
teleurgesteld te worden. Omdat deze kerk in mijn jeugd een belangrijke plaats
heeft ingenomen besloot ik er deze keer toch maar even naar binnen gegaan.
Mijn ouders hadden op de derde rij drie vaste
plaatsen, die werden aangegeven met emaille naamplaatjes. Die waren nu
natuurlijk verdwenen, maar toen ik op een van de stoelen ging zitten, kwamen
prompt heel veel herinneringen weer boven. Zo moest ik denken aan mevrouw de
Groot die een plaats naast ons had. Ze rook altijd een beetje naar groentesoep
en eau de cologne. Na de preek deelde ze altijd pepermuntjes uit. Die smaakte
ook een beetje naar groentesoep en eau de cologne. Toen we klein waren hadden
we die vreemde smaak niet zo door, maar toen we wat ouder werden deden we net
of we ze in ons mond staken om ze vervolgens in ons zak weg te moffelen en
later weg te gooien.
Jarenlang ben ik misdienaar in die kerk geweest. In
die tijd kwamen er bisschoppen en kardinalen van over de hele wereld en die
hadden de verplichting elke dag een mis opdragen. Om de een of andere reden
moest dat altijd 's morgens om kwart voor zes plaats vinden. Ik vond dat niet
zo erg, ik was toch altijd vroeg wakker en bovendien kwam het regelmatig voor
dat we als misdienaar een gulden en een enkele keer een rijksdaalder toegestopt
kregen.
Een van de hoogtepunten voor ons, was toch wel als de
stroom uitgevallen was waardoor de luchtvoorziening van het orgel niet meer
werkte. Wij mochten dan met de voet een pomp aandrijven die zoveel geknars en
gepiep produceerde dat het geluid van het orgel er nauwelijks bovenuit kwam.
Zo kwamen er door even op ons oude plekje te gaan
zitten weer een hoop herinneringen boven.
Toen ik de kerk weer uit wilde lopen kwam er een man door de deur die bij binnenkomst meteen neerknielde en vervolgens op zijn knieën de hele kerk door kroop tot hij helemaal vooraan bij het altaar uitkwam en daar vervolgens in snikken uitbarstte. Ik had hem graag getroost, maar aan de andere kant denk ik, dat dit voor hem de beste plaats was om hulp van hogerhand te krijgen.
Wip er ook eens binnen als je toch door de
Kalverstraat loopt. Je maakt nog eens wat mee, en je mag best wel even op onze
oude plaatsen op de derde rij ergens in het midden zitten. Een kwartier voor
God is toch niet te veel gevraagd?
Dat keurige jongetje helemaal rechts op de foto ben ik.
Een tijdje terug kwam ik in een oud gedeelte van Amsterdam terecht. Het was een oude arbeiderswijk, die gedeeltelijk rijp was voor de sloop en voor een gedeelte al gesloopt is. Toen ik langs een café liep, waarvan de bovenverdiepingen al dicht getimmerd waren, tolde er een man naar buiten, die terplekke dreigde neer te storten, wat ik nog nèt kon voorkomen.
Hij keek me aan alsof ik een reddende engel was, die speciaal uit de hemel was neergedaald om hem op te vangen. Omdat deze onverwachte hulp van hogerhand zich nu toch eenmaal had aangediend, leek het hem ook heel normaal om daar tijdens de verdere tocht naar zijn huis gebruik van te maken.
Alleen, zo dacht hij waarschijnlijk, zou hij het toch nooit redden. Of ik hem maar even een arm wilde geven. Slingerend en struikelend begaven we ons op weg.
''Rot kroeg'', sprak hij met dubbele tong.
''Waarom'', vroeg ik.
''Ze willen me niet meer schenken".
Omdat ik geleerd heb dat je dronken mensen nooit moet tegen spreken, zei ik maar dat dit inderdaad niet zo aardig van ze was. Onderweg kwamen we hier en daar een paar mensen tegen.
Omdat het, volgens mij, voor buitenstaanders -gezien de situatie- moeilijk was in te schatten, wie van ons beiden nou dronken was -of dat we het misschien wel allebei waren-, sprak ik op die momenten maar een paar opbeurende woorden. Zo van: ''gaat het een beetje?'' en: "we zijn er bijna hoor!'', daarbij een gezicht trekkend, zo van: "Daar ben ik weer mooi mee opgescheept!"
Mijn vraag, waar hij nou eigenlijk precies woonde, beantwoordde hij met een armzwaai die de hele wijk leek te omvatten. Maar na een tijdje in de buurt te hebben rond gezworven, kwam er toch iets van herkenning in zijn blik en bleef hij voor een verveloze deur stil staan.
Of hij de sleutel bij zich had, vroeg ik. Ja, zei hij en wees op zijn broekzak. Kennelijk achtte hij zichzelf niet meer in staat om de sleutel uit zijn broekzak te vissen en met enige tegenzin nam ik deze taak op me.
Na wat zoeken in de bos sleutels lukte het me de deur open te maken. In het schemerdonker werd een trap zichtbaar die zo steil omhoog ging dat het me onverantwoord leek de man alleen de trap op te laten gaan.
“Op welke verdieping woont U?”, vroeg ik. De man mompelde wat en wees naar boven.
We begonnen aan een moeizame tocht omhoog. Hij voorop en ik er achteraan, klaar om hem op te vangen.
Al gauw bleek dat laatste nodig te zijn. De man verloor zijn evenwicht en door hem tegen zijn achterste te duwen, kon ik nog net voorkomen dat hij naar beneden viel.
Bij deze actie kwam ik tot mijn schrik met mijn hand in een grote natte plek terecht. Hij had in zijn broek geplast en in het schemerdonker zag ik. dat er nog maar weinig droge plekjes waren.
In stilte bad ik dat hij op de eerste verdieping woonde. maar dat bleek helaas niet het geval.
Inmiddels had ik hem bij zijn broekriem vastgepakt; het enige droge plekje dat ik nog kon vinden.
Vier lange hoge trappen heb ik hem voor me uit moeten duwen.
Omdat ik hem op die steile trap bij zijn riem vast moest houden, kwam ik met mijn gezicht steeds gevaarlijk dicht bij die natte broek.
Toen we uiteindelijk op de zolderverdieping kwamen, bleek hij op een zolderkamertje te wonen dat voor het grootste gedeelte door een bed in beslag werd genomen.
Daarop liet hij zich vallen.
Op mijn vraag of het zo verder wel ging, kreeg ik geen antwoord meer.
Met een beetje schuldgevoel heb ik toen de deur maar zachtjes dicht getrokken……
PARKEREN IN AMSTERDAM.
Hebben jullie dat ook wel eens, dat je je nog steeds enorm kan opwinden over iets dat jaren geleden gebeurd is. Ik weet niet eens meer waarvoor, maar ik moest toen op de Lindengracht in hartje Jordaan zijn. Midden in de straat is een strook, waar je als er geen markt is van twee kanten kan parkeren. Het was redelijk druk, maar gelukkig vond ik nog een smal plekje, waar ik met moeite mijn oude bestelbus waar ik toen in reed tussen kon wurmen. De bus had geen stuurbekrachtiging en bij het inparkeren had ik alle aandacht van de mensen op het terras recht tegenover mij. Als mensen naar mij kijken als ik onder moeilijke omstandigheden parkeer, word ik altijd een beetje nerveus, maar gelukkig ging alles zonder problemen en kon ik de boodschap doen waar ik voor gekomen was.
Toen ik na een half uurtje terug kwam, bleek iemand zijn auto voor me op de rijweg geparkeerd te hebben, zodat mijn uitrit grotendeels geblokkeerd was. In de veronderstelling, dat iemand even iets moest laden of lossen, bleef ik rustig wachten. In Amsterdam moet je nou eenmaal een beetje geduld hebben. Toen na een minuut of vijf de eigenaar van de auto nog niet was gearriveerd, begon ik toch wel een beetje ongeduldig te worden en drukte ik een paar keer op mijn claxon. Dit had geen enkel effect en ik besloot toen toch maar te proberen uit mijn benarde positie weg te rijden. Intussen was er iemand van het terras opgestaan, die mijn verrichtingen met belangstelling volgde. Terwijl ik in steeds grotere opwinding met een vuurrood hoofd van kwaadheid aan mijn stuur draaide, riep hij me intussen wat nuttige aanwijzingen toe. Zo vroeg hij zich hardop af, waarom ik daar nou toch was gaan staan, dat ik me niet zo druk moest maken omdat dat slecht voor mijn bloeddruk was en hij raadde me aan om de volgende keer een auto met stuurbekrachting te nemen. Stuk voor stuk nuttige opmerkingen, die mij zo langzamerhand tot het kookpunt brachten. Nadat het me onder het toeziend oog van de man en de belangstelling van het volledige terras uiteindelijk gelukt was me uit het benauwde parkeerplekje te bevrijden, wist ik niet hoe snel ik weg moest komen. Toen ik nog even in mijn achteruitkijkspiegel keek, kon ik nog net zien, hoe de man naar zijn vrienden op het terras zwaaide, in de auto stapte die mijn uitrit al die tijd geblokkeerd had en vervolgens op zijn gemak weg reed.
TERRORIST?
Als ik met wat cadeautjes en een paar takken dennengroen onder mijn arm op het Frederiksplein loop, begint het plotseling te stortregenen Gelukkig ben ik niet ver van het allerlelijkste gebouw van Amsterdam, dat van de Nederlandse Bank. Rondom dat gebouw is een afdak aangebracht, waaronder je goed kunt schuilen. Als ik daar een tijdje sta, wordt mijn aandacht getrokken door een leeg koffiebekertje, dat iemand op het zware traliewerk, dat de bank tegen indringers moet beschermen heeft achtergelaten. Op het bekertje is de tekst: “Blijf je bij me?” te lezen. Kijk, daar kan ik weer heel blij van worden. Temeer, omdat schuin boven het bekertje een bord met de tekst cameratoezicht met een afbeelding van een camera is aangebracht die op het bekertje is gericht, Als ik met mijn camera op stap ben, zoek ik zelden spectaculaire situaties op. In dit geval bleek echter, dat je daar ongewild toch zomaar in verzeild kunt raken, want nadat ik een paar foto’s had gemaakt, kwamen er plotseling vier marechaussees de hoek van het gebouw om stormen. Ik werd min of meer ingesloten en ze vroegen wat ik aan het doen was. Toen ik vertelde, dat ik een koffiebekertje aan het fotograferen was, werd de argwaan alleen nog maar groter. Ze zagen de humor er niet van in en ze vroegen wat er in het pakje zat, dat ik bij me had. Toen ik vertelde, dat er een boek in zat en dat het een kerstcadeautje was, lieten ze me na het uitgebreid te hebben betast aarzelend mijn weg vervolgen. Helemaal gerust was ik er nog niet op, want achter mij werd er door een mobilofoon nog uitgebreid overleg gevoerd, en ja hoor, binnen de kortste keren kwamen ze weer achter me aan rennen, want ze waren nog wat vergeten. Of ik me nog even wilde legitimeren. Toen ik ze mijn Franse rijbewijs liet zien, werd het vertrouwen er niet groter op. Twee marechaussees verdwenen met mijn rijbewijs het gebouw in en de twee anderen bleven bij mij achter. Omdat het nog steeds regende, stond even verderop een groepje mensen te schuilen, die nieuwsgierig onze kant op keken. Omdat ze in mij een mogelijke terrorist zagen, bleven ze gelukkig op ruime afstand, maar het was duidelijk, dat de situatie hun onverdeelde aandacht had.
Ik stond daar een beetje met gemengde gevoelens. Aan de ene kant vond ik het een gênante vertoning, aan de andere kant, was ik ook wel een beetje trots, dat ik op mijn leeftijd en naar mijn idee “vertrouwenwekkende uiterlijk” als een bedreiging kon worden gezien. Toen na een klein kwartier de marechaussees met mijn rijbewijs terug kwamen, wisten ze te vertellen, dat het in orde was, maar of ik toch nog even wilde wachten, want de wachtcommandant wilde me nog spreken. Toen die even later naar buiten kwam, wilde hij nog zien, wat voor foto’s ik nou eigenlijk precies gemaakt had. Ik liet hem de foto’s van het koffiebekertje zien, maar daar nam hij niet zomaar genoegen mee. Hij wilde ook nog wel even weten, wat er verder nog op mijn camera stond. Toen bleek, dat dat verder allemaal ongevaarlijke foto's waren, was hij tevreden. Na elkaar fijne feestdagen te hebben gewenst, kon ik eindelijk mijn weg vervolgen.
LEUKE VADERS
In een stad als Amsterdam valt me telkens weer op, dat er zo veel leuke vaders zijn. Als je een beetje om je heen kijkt, kun je zien, dat vaders er echt alles voor over hebben om het hun kinderen naar de zin te maken. Zo zag ik laatst een vader die in het drukke centrum van de stad een kind op schoot had en het de auto liet besturen. En een andere die met een kind staande op de bagagedrager, dóór het rode licht rijdend, al zigzaggend het kruispunt over stak.
Dolle pret natuurlijk! Ja, dan begrijp je wel, waar het begrip quality-time vandaan komt.
De opvoeding begint echt al op hele jonge leeftijd hoor. Toen ik even een supermarkt binnen liep, waar ook een biologische afdeling was, hoorde ik in het schap naast mij een man een college geven over de zegeningen van biologisch en biologisch dynamisch voedsel. Toen ik, nieuwsgierig geworden, even om een hoekje keek om te kijken tegen wie hij het eigenlijk had, bleek het een baby te zijn die in de kinderwagen lag en nog nauwelijks de oogjes kon openen.
Enig toch om te zien hoe die vaders er alles aan doen om hun kind al op zo'n jonge leeftijd een gezonde leefstijl bij te brengen.
Wat wel weer opvalt, dat als je ze gesprekken ziet voeren met een peuter van drie, waarbij toch op z'n minst een middelbare school opleiding vereist is, ze steeds om zich heen kijken om te zien of iedereen wel in de gaten heeft wat voor leuke vaders ze zijn.
SOCIALE VAARDIGHEID
Amsterdam, het is 9 uur in de morgen en hij staat al met een blikje bier in zijn hand. Het is duidelijk een zwerver of een dakloze, of hoe je het ook noemen wilt, maar wel een van het vrolijke soort. Hij staat grapjes te maken met een paar verhuizers en als ik passeer loopt hij een stukje met me op.
"Weet je, dat ik vanmorgen vroeg al twee keer de blote kont van een vrouw gezien heb" zegt hij. "Zo", zeg ik, "hoe krijg je dat nou voor elkaar?" "Ach ja," zegt hij, "dat is een kwestie van sociale vaardigheid."
"Ik zat op een bankje in het park en toen ze langs kwam stak ik zo'n beetje mijn tong uit." Toen liet ze haar broek zakken en draaide haar kont naar me toe." "Toen ze hem weer aan had, stak ik nog een keer mijn tong uit en toen deed ze het weer." "Nou, zeg ik, "dat zal mij nou nooit overkomen. "Nee," zegt hij, "dat moet jij ook niet proberen, want dan heb je kans dat je een klap voor je kop krijgt."
Tja, sociale vaardigheid is helaas niet iedereen gegeven.
VROUW MET HONDENHART
Op het smalle trottoir in Amsterdam komt me een oudere vrouw tegemoet. Voor haar uit loopt een klein hondje aan een lange lijn. Pas als het beestje vrolijk kwispelend tegen me op springt heeft de vrouw me in de gaten. " O, sorry hoor mijnheer," zegt ze. "Ik was helemaal in gedachten." "Hindert niet hoor mevrouw" zeg ik. "U heeft een vriendelijk hondje." "Ja" zegt ze, maar dat is wel aan mij te danken."
Ik heb hem uit het asiel vandaan. Hij is vreselijk mishandeld door een oude vrouw. Toen hebben ze hem maar naar het asiel gebracht. Daarna is hij nog een tijdje bij iemand anders geweest, maar dat ging ook niet goed. Dus maar weer terug naar het asiel. Ik kwam daar nogal eens en kon het niet meer aan zien. Toen heb ik gezegd: Ik neem hem mee. Ja, maar dat gaat zo maar niet zeiden ze. Dan moet U eerst naar een honden psycholoog. Helemaal niet, zei ik. Ik ben 83 en ik heb mijn hele leven honden gehad en ik heb een hondenhart. Hij gaat met mij mee. Maar dan moet hij wel eerst de hele dag in de bench zeiden ze. Ja hoor, zei ik. Maar dat heb ik natuurlijk nooit gedaan. Vertel mij niet, hoe ik met honden om moet gaan. Laatst liep hij een vrouw een beetje in de weg en die zei: zal ik hem eens een schop geven. Toen zei ik, dan kun je van mij een schop terug krijgen, want het is wel mijn kind hoor. Nou, dan heb je een raar kind gebaard zei die vrouw. Dan zou ik maar eens even gauw in de spiegel kijken, zei ik. Dan kan je zien wat voor een raar kind jouw moeder gebaard heeft. Kom Polly, we gaan naar huis, dan krijg je je brokjes.
SNEEUW
Als ik me in de sneeuwstorm naar buiten waag, is het eerste dat me opvalt, de ontspannen en een beetje uitgelaten sfeer die in de stad hangt. Veel mensen groeten elkaar of wisselen blikken van verstandhouding. Volwassen mensen worden weer een beetje kind en bekogelen elkaar met sneeuwballen. Een fietser ploetert zingend door de sneeuw. Over en weer worden grapjes gemaakt. Zo hoor ik een man vertellen dat hij geen last van de gladheid heeft. "Nee hoor" zegt hij. "Ik heb geen last van de gladheid. Ik heb last van zweetvoeten en overal waar ik sta smelt de sneeuw vanzelf weg. Even verderop probeert een auto een brug op te komen. De wielen draaien in de rondte, maar hij komt geen stap verder. De auto komt dwars op de weg te staan en draait even later helemaal de verkeerde kant op. De bestuurder geeft het op en neemt de zelfde weg terug die hij gekomen is. Een andere auto heeft meer geluk. Die krijgt een zetje van een paar passerende voetgangers. Als de hindernis genomen is klinkt er een luid gejuich op. Het lijkt wel of de barre omstandigheden de mensen bindt.
Aan het begin van de avond ga ik nog even de stad in omdat ik wat foto's in het donker wil maken. Het is verrassend stil in de stad. Er zijn maar weinig mensen op de been en er is een verse laag sneeuw gevallen die alle geluiden dempt. Ik hoor weinig meer dan het geknisper van de sneeuw onder mijn voeten. Bij de magere brug gekomen hoor ik stemmen. Er staat een groepje mensen midden op de brug. Als ik dichterbij kom zie ik dat ze een levensgrote sneeuwpop hebben gemaakt. Op zijn kop staat een fles jenever. Als ik passeer, vragen ze, mijnheer, drinkt U een glaasje mee. En zo kan het gebeuren, dat ik midden in de stad met wildvreemde mensen een borrel sta te drinken. Sneeuwde het maar altijd!
JE MOET LEVEN!
Als ik in Amsterdam voor het rode voetgangerslicht sta te wachten komt er een man naast me staan en begint uit het niets tegen me te praten;
Je moet leven man, leven! Niet op je bed liggen overdag, maar leven. 's morgens kun je op je bed liggen en 's avonds maar tussendoor moet je leven. Mijn vader is dood en mijn moeder is dood maar ik leef.
Ik heb het helemaal voor elkaar met de sociale dienst. Ik hoef niet meer te werken. Ik heb een riant inkomen. Als ik ergens naar toe wil, bel ik een taxi en die staat vijf minuten later voor de deur. Ik heb een prachtig huis. Ik heb een mooi systeem bedacht voor de centrale verwarming. 's Morgens laat ik hem oplopen tot 28 graden. Heerlijk is dat man. Na een uurtje zet ik hem uit en dan blijft het de rest van de dag warm. Ik heb dubbel glas. Je moet natuurlijk niet de ramen en deuren open doen. Als ik 's avonds naar bed ga is het nog lekker warm.
Ik ben nog jong. Ik ben nu 54. Ik denk, dat ik over een paar jaar een vrouw neem. Sommige jongens nemen al met hun twintigste een vrouw. Dom man dom. Heb je net je kinderen groot, komen er nog een stel kleinkinderen achteraan. Dat krijg je dan allemaal over de vloer. Ik wil wel kinderen, Ik denk, dat ik er vijf neem. Op de T.V. heb ik een keer iemand gezien, die had wel twintig kinderen. Dat spul zat allemaal rond de tafel. Hij zat er nog heel relaxed bij. maar dat is toch echt niets voor mij. Nee, vijf is voor mij wel genoeg.
Als we de straat overgestoken zijn, moeten we ieder een andere kant op. Wel roept hij me nog even na : Leven man, je moet leven!
Hoewel sommige van deze raadgevingen op mij wat merkwaardig over komen, en de meeste in mijn geval een beetje te laat komen om nog toe te kunnen passen, zet zo'n ontmoeting je toch wel even aan het denken. Ik ga wat rechter op lopen en kijk wat meer om mij heen. Leven man, je moet leven, denk ik.
KLEIN AMSTERDAM
Amsterdam is zo'n stad waar altijd wel iets te beleven valt.
Juist door die overdaad heb je wel eens de neiging om de kleine dingen uit het oog te verliezen. Persoonlijk vind ik juist dat soort dingen vaak de moeite waard. Om die reden maak ik als ik in Amsterdam ben, regelmatig op de vroege zondagmorgen een wandelingetje door de stad, die op dat moment nog de proporties van een dorp lijkt te hebben. Je kunt nog langs de gevels omhoog kijken zonder dat je gevaar loopt van je sokken gereden te worden en door de enkeling die je tegen komt wordt je vriendelijk gegroet.
Als ik weer eens op zo'n stille zondagmorgen over een verlaten gracht loop, begint het ondanks het vroege tijdstip al aardig warm te worden. Even verderop zie ik een paar kinderen die nog in hun pyjama rond lopen. Ze zijn druk in de weer met een paar tafeltjes, waar ze wat knuffels, een kan limonade met wat glazen en een paar spelletjes. op hebben gezet. Met een viltstift zijn ze bordjes aan het maken waar prijzen op komen te staan.
Als ik dichterbij kom kijken ze me verwachtingsvol aan.
"Mijnheer", zegt een van hen, "kijkt U eens, we zijn hier een winkeltje aan het maken. "We hadden een pyjama party en toen hebben we bedacht dat we best wat spulletjes konden gaan verkopen die we toch niet meer gebruiken en ook limonade omdat het zo warm is".
'Wilt U misschien een knuffel kopen of een glaasje zelf gemaakte vlierbloesem limonade drinken?"
Tot mijn spijt moest ik bekennen, dat ik helemaal geen geld bij me had. Jammer, want ik zou graag iets bij deze jonge ondernemers kopen. "O maar mijnheer, dat is helemaal niet erg hoor", zeggen ze. "Als U dorst heeft mag U ook wel gratis wat drinken". Als ik mijn glaasje limonade op heb, maak ik een foto van ze. Later heb ik die nog even bij ze in de bus gedaan. Dat was wel het minste dat ik kon doen.
POGING TOT BEROVING
Het was druk in de schoenenwinkel. Heel erg druk. Ik was hier gisteren al, maar toen werd mij verteld, dat als ik de volgende dag terug zou komen, ik de door mij uitgekozen schoenen voor de helft van de prijs zou krijgen omdat het dan uitverkoop was. Dat laat je je natuurlijk geen twee keer zeggen en kennelijk hadden veel meer mensen dat te horen gekregen, want het kleine winkeltje was stampvol.
Het was nog even zoeken, voor de voor mij apart gezette schoenen waren gevonden, maar uiteindelijk kwamen ze tevoorschijn en kon ik afrekenen.
Terwijl ik stond te pinnen, had ik het onaangename gevoel, dat er iemand wel heel erg dicht bij me stond. Als ik afgerekend heb, word ik door een Engels sprekende man aangesproken.
Hij wijst op de grond, waar een beetje verkreukeld briefje van 10 euro ligt. U hebt dat laten vallen zegt hij. Ik dank hem uitbundig voor zijn eerlijkheid, maar terwijl ik het briefje opraap bedenk ik, dat ik even tevoren nog in mijn portefeuille heb gekeken en dat er toen volgens mij geen 10 euro biljet in zat. Maar ja, je kunt je natuurlijk vergissen, en ik berg het tientje op in mijn portefeuille.
Als ik naar de uitgang loop, komt de zelfde man op mij af lopen, en verontschuldigt zich. Hij was zojuist tot de ontdekking gekomen, dat het tientje van hem was. Omdat ik toch al mijn twijfels had, of ik wel de rechtmatige eigenaar was, haalde ik mijn portefeuille tevoorschijn om het aan hem te geven. Terwijl ik dat doe wijst hij me op een gaatje dat aan de zijkant van mijn portefeuille zit. Op het zelfde moment zie ik, dat hij met zijn andere hand mijn bankpasje uit mijn portefeuille probeert te schuiven. In een opwelling schreeuw ik: "vuile schoft" en geef hem een klap voor zijn kop. Hij vlucht de winkel uit en terwijl ik hem achterna ren, kan ik hem nog net een trap na geven.
In de schoenenzaak is het plotseling heel stil geworden. Nadat ik uitgelegd heb wat er gebeurd is, verlaat ik de winkel. In eerste instantie ben ik heel boos, maar gaandeweg word ik ook wel een beetje trots. Voor zover ik me kan herinneren heb ik mijn hele leven nog nooit iemand geslagen. Het geeft me een goed gevoel, dat ik best voor mezelf op kan komen als het echt nodig is.
Het allermooiste is nog, dat ik aan dit avontuur een tientje over heb gehouden.
Dat hangt nu ingelijst boven mijn bed.
MOBIEL
In lijn 3 kom ik tegenover een ouder Surinaams stel te zitten. De vrouw herkent in mij een luisterend oor en kijkt ter inleiding misprijzend om zich heen, waar een aantal jonge meiden druk met hun mobiel zijn.
Moet je nou toch kijken, waar zijn ze nou allemaal mee bezig? Ze hebben alleen nog maar oog voor dat ding.
Mijn kleinkinderen komen niet meer bij me. Ze liepen de hele tijd te bellen en op allerlei knopjes op hun telefoon te drukken. Op een gegeven moment heb ik een bak bij de deur gezet, waar ze hun telefoon in moesten doen. Ik zei tegen ze: "Komen jullie nou hier voor ons, of om te bellen." Nou komen ze niet meer.
Mijn dochter zegt er niks van. We gaan daar af en toe wel naar toe, maar als ze dan weer gaan lopen bellen gaan we weg. "Waarom gaan jullie nou al weer weg oma" zeggen ze dan.
Hoe die kinderen trouwens aan al dat geld komen, daar snap ik niks van. Ik heb mijn hele leven hard moeten werken om een beetje goed leven te hebben. Ik had soms wel twee of drie baantjes tegelijk
Had ik mijn zes kinderen net naar school gebracht, dan naar mijn moeder de was op hangen en dan de kinderen van brood voorzien .'s Avonds met mijn man vast de aardappelen schillen voor de volgende dag en dan nog werken hè.
Mijn man is blind aan een oog, en mocht geen auto meer rijden, met veel toeters en bellen hebben we eindelijk zo'n invalide karretje gekregen. Wordt je omver gereden, door die Marokkaanse rot jochies op scooters En dan al die mensen die hier het land binnen komen. Ze moeten wel allemaal mee eten. Ik vind het heel zielig hoor, maar ze kunnen ze beter in hun eigen land helpen.
Ze komen hier maar binnen en weten precies waar ze recht op hebben
Bij de Albert Heijn staan ze de hele dag voor de deur om een krantje te verkopen. Dankzij zo'n soort Strijdkreet, gaan ze 's avonds wel met een hand vol geld naar huis. Dat heb ik niet hoor.
Mijn zuster is 95. Dat mens heeft zich d'r hele leven uit de naad gewerkt als toiletjuffrouw.
Ze zit in een flat van 900 euro, krijgt van haar dochter iedere maand 80 euro om te eten.
Ze had een scheur in haar aorta van 4mm. Nu heeft ze hartvlieskanker en nu helpen ze d'r niet meer Nou neemt ze maar een paracetamolletje
Zo doen wij ouwe mensen dat. Nemen een paracetamolletje en dan gewoon door gaan, tot we er bij neer vallen.
Wat we een moeite hebben moeten doen om een beetje hulp voor haar te krijgen. Toen het eindelijk lukte kreeg ze een Belg. Maar die bleef niet lang, want die moest zo nodig met vakantie. Toen kreeg ze weer een ander en die moest met zwangerschapsverlof. Ze woont in Diemen, toen ze een tijdje weer geen hulp had, heb ik haar daar met haar rolstoel midden in het winkelcentrum gezet en gezegd: "Nou ga je heel hard om hulp roepen", maar dat wilde ze niet.
Je hoeft op niemand te rekenen, niemand helpt je. Ze zeggen dat je van werken niet dood gaat, maar wij wel.
Haar man, die al die tijd maar stil heeft zitten luisteren en af en toe geknikt heeft, mengt zich ook nog even in het gesprek; "Zo is het maar net" Zegt hij.
SHOPPEN
Het leuke van een stad als Amsterdam is toch wel, dat er altijd een café, restaurant of winkel is, waar je je thuis voelt. Die grote verscheidenheid heeft als keerzijde dat je ook wel eens ergens terecht komt waar dat helemaal niet het geval is. Sinds boodschappen doen "shoppen" is geworden is er wel wat veranderd. Zaken richten zich steeds meer op een specifieke doelgroep en het gaat steeds vaker om de z.g.n. "koopbeleving".
Persoonlijk ben ik daar een beetje allergisch voor en zal niet gauw zo'n winkel bezoeken. Maar omdat ik ooit met mijn verjaardag een douchegel heb gekregen die me goed beviel en die alleen in een dergelijke zaak te koop was, heb ik mijn tegenzin overwonnen en ben toch maar zo'n winkel binnen gestapt.
V. Can I help you?
F. Ik spreek gewoon Nederlands hoor!
V. Sorry, kan ik U een kopje thee aanbieden.
F. Nee, maar wel Samuray douche gel
V. Scheert U zich?
F. Ja.
V. Scrubt U zich wel eens.
F. Nee
V. Weet U, dat als U zich scrubt het scheren veel makkelijker gaat
omdat de haren dan overeind gaan staan?
F. Ja, maar zo gaat het ook goed.
V. Weet U, dat we een complete heren scheerlijn hebben?
F. Ja, maar het gaat me om de douche gel, die bevalt me goed
en de rest koop ik bij het Kruidvat of de Etos
V. Bedoelt U deze? Heeft U verder nog iets nodig?
F. Nee, dank U
V. Dan wens ik U nog een fijne dag. U kunt bij mijn collega afrekenen.
C. Krijgt U onze nieuwsbrief al?
F. Nee, maar die hoef ik ook niet.
C. Ik geef U in ieder geval dit kaartje mee, daar kunt U leuke prijzen
mee winnen, o.a. een aantal producten uit onze herenlijn.
Bedankt mijnheer, nog een fijne dag en tot ziens.
F. Tot ziens (Ik dacht het niet)
Toch ben ik achteraf wel blij, dat ik in deze winkel geweest ben.
Als ik me 's morgens aan het scheren ben, denk altijd even aan deze zaak
en dan gaan al mijn haren overeind staan.
En, ze hebben gelijk, dat scheert een stuk makkelijker.
BOODSCHAPPEN
Soms doe ik in Amsterdam wat boodschappen bij de Aldi. Ze hebben daar vaak artikelen die je nergens anders kunt krijgen. Dit keer was er tuingereedschap in de aanbieding. Dat kwam goed van pas, want ik had een snoeischaar en een hark nodig.
Achter de kassa zat een typisch Amsterdamse vrouw. Groot, ruim gevuld en hoog blond. Zo eentje van het type: ''Ik heb een goed hart, maar je moet geen ruzie met me krijgen."
Omdat ik nogal onhandig met de lange hark stond te schutteren en ze de streepjescode op de steel moest scannen, zei ik maar: "Waar wilt u hem hebben?'' Dit had ik beter niet kunnen zeggen!...
"Waar wil je n‘m hebben?'', schalde het door de zaak en tegen de rij wachtenden, die zich inmiddels achter me gevormd had: "Hoort U dat?" Hij zegt: "Waar wil je n’m hebben?''
Langzaam begon tot me door te dringen, dat de door mij goed bedoelde opmerking wel een heel vreemde lading begon te krijgen. De rij wachtenden keek me wat besmuikt aan en sommigen gniffelden een beetje.
Of het nog niet genoeg was, vond de vrouw achter de kassa dat ook de rest van de zaak deelgenoot moest worden van de door mij gemaakte opmerking. ''Gerard!, Gerard!'', riep ze naar haar collega aan de andere kassa.
''Hoor je wat die man zegt?" Hij zegt: "Waar wil je n’m hebben?''.
Omdat ik, als alle belangstelling plotseling om mij gericht wordt, nog al eens wil blozen, kon dat ook nu niet uit blijven.
''O kijk'', zei de vrouw, ''Hij krijgt er een kleur van''.
''Dat bewijst mijn onschuld'', zei ik toen maar.
'' Ja, dat zal wel" zei ze. Ik wist niet hoe snel ik de winkel moest verlaten.
De volgende keer maar even naar een andere Aldi.
TRAMRIT
Met moeite prop ik mij in het krappe bankje vlak achter de bestuurder. Al gauw blijkt, dat dit ongemakkelijke plekje ook voordelen biedt. Vanaf deze plaats kan ik namelijk luid en duidelijk de conversatie volgen, die de trambestuurder via de intercom met de conductrice achter in de tram voert.
C. Wat eet jij vanavond ?
B.Zuurkool met worst, waar haal jij altijd je worst ?
C. Bij de Lidl, die vind ik het lekkerst.
B. O, ik altijd bij de Aldi.
C. Waar ligt die dan bij de Aldi ?
B. Bij de diepvries en dan rechtdoor.
C. Daar staan toch de frisdranken
B. Nee, ik bedoel dat andere pad, er lopen toch twee paden vanaf de diepvries.
Even is er wat tumult als een buitenlandse vrouw er bij een halte nog uit had gewild terwijl de tram al weer begint te rijden.
B. Waarom deed je de deur niet open?
C. Ze was veel te laat, ze zat alsmaar op haar telefoon te kijken. Dan gaat ze maar een stukje lopen, ziet ze nog eens wat van de stad
C. Die van de Lidl vind ik toch het lekkers. Lekker sappig.
B. Ja, ieder z’n smaak
Bij de volgende halte staan er een man en een vrouw op de halte, ze komen duidelijk van buiten Amsterdam en de vrouw vraagt aan de bestuurder of hij ook naar de Albert Cuypmarkt gaat.
B. Nee meissie, want ik moet werken en kan dus niet met je mee. Stap maar in hoor, dan rijd ik voor jullie wel een stukkie om.
Na enige aarzeling stappen de passagiers in en gaan dicht bij de bestuurder zitten. Het is dan wel een beetje rare man, maar op dit moment is hij toch het enige houvast, dat ze in deze vreemde stad hebben.
B. Het is helemaal niet leuk meer hoor de Albert Cuyp. Vroeger was het leuk. Ik ga er alleen nog maar naar toe voor hom en kuit. Houden jullie van hom en kuit?
De twee beamen, dat ze dat wel lusten.
B. Dat is er nog niet, het is niet het seizoen.
De passagiers kijken wat teleurgesteld omdat het enige aardige dat de markt nog leek te bieden, nu ook al aan hun neus voorbij gaat. Bij de Albert Cuypmarkt stappen ze uit, in de hoop, dat het allemaal toch nog een beetje leuk gaat worden.
VETTE HAP
Over het algemeen eet ik wel gezond, maar een heel enkele keer wordt het verlangen naar een "vette hap" zo groot, dat ik de verleiding niet kan weerstaan.
In Amsterdam ga ik dan naar mijn favoriete snackbar om een berehap te halen. De eigenaresse is een van oorsprong buitenlandse vrouw. Waar ze precies vandaan komt, wist ik tot nu toe niet, maar hoewel ze goed Nederlands spreekt, is te horen, dat ze niet in Nederland geboren is.
Het leuke van die vrouw is, dat ze altijd wel iets te vertellen heeft, en aangezien mijn honger naar verhalen minstens zo groot is, als die naar een snack is dit een uitgelezen gelegenheid. Ook deze keer, steekt ze meteen van wal:
Lekker weer hè mijnheer. Morgen ben ik vrij en dan ga ik lekker met vrienden varen. Die hebben een boot, en weet U wat ik nou zo lekker vind op het water? Dat je er bijna geen allochtoon tegen komt. Op het water voel ik me pas echt vrij. Heerlijk met mijn borsten bloot. Dat kan hier allemaal. Ik spreek wel eens allochtonen die daar moeite mee hebben. Dan zeg ik altijd maar. Als het een probleem voor je is, dan weet je toch wel de weg naar Schiphol te vinden. Dan ga je toch lekker terug naar je eigen land. Zo zeggen ze bijvoorbeeld dat ze geen alcohol drinken, maar wel stiekem hè. Nou, ik drink wel alcohol. Lekker toch! Ik woon hier nu 17 jaar en ben goed geïntegreerd hoor. Wat ik wel jammer vind, is dat ze al gauw denken, dat ik Turks of Marokkaans ben. Voor Nederlanders is bijna elke buitenlander een Marokkaan of Turk.
Omdat mijn berenhap koud dreigt te worden neem ik afscheid. Maar niet voordat ik gevraagd heb waar zij nou eigenlijk zelf vandaan komt. Ik kom uit Syrië, maar wel Armeens hoor. Het was een leuk gesprek mijnheer!
* Voor niet ingewijden. Een berehap is een in plakken gesneden gehaktbal met uienringen tussen de plakken. Het geheel is op een satéprikker gestoken en overgoten met pindasaus.
NIEUWE HARING
Het is weer zo ver, de nieuwe haring is binnen! Elke Amsterdammer heeft zo'n beetje zijn eigen haringmannetje, die uiteraard de beste haring van de stad verkoopt. Mijn haringmannetje heet Jan, en hij komt uit Volendam. De haring van Jan is niet te zacht en niet te stevig, maar net goed. Daar zijn z'n vaste klanten, die zich ook nu weer rond de kraam hebben verzameld, het roerend over eens.
Over de brug komt een nieuwe klant aangelopen. Een forse, gezette man, van het type omhoog gevallen marktkoopman. Keurig in het pak, met aan zijn arm een kogelrond vrouwtje, rondom behangen met bling bling. Het is wel duidelijk waarin de man geïnvesteerd heeft. Bij de kraam aangekomen wordt er eerbiedig plaats voor hem gemaakt, want hij blijkt een echte kenner te zijn, en er lijkt veel van zijn oordeel af te hangen. Iedereen is dan ook even stil als hij zijn haring naar binnen werkt. Zelfs Jan houdt op met schoonmaken. Dan komt het verlossende woord.
“Nou Jan, die glijdt weer naar binnen als Gods woord in een ouderling. Geef me d’r nog maar eentje, jongen. Wat een rijkdom toch hè, dat je je dat zo maar kunt veroorloven. Als ik zou willen, kocht ik vandaag nog de hele haringkar op hoor, maar ja, dan zat Jan zonder werk en dat wil je zo’n jongen toch niet aan doen.
Ja, ik heb heus wel andere tijden mee gemaakt. Je moet weten, ik ben in de Jordaan geboren; mijn vader heb ik nooit gekend, die liet mijn moeder mooi met zes kinderen zitten. Armoe mijnheer, maar mijn moeder was een goudeerlijk mens. Ik weet nog dat er een buurvrouw langs kwam om haar nieuwe baby te laten zien. Dat kind was zo’n lelijk mormel. Als je d’r naar keek, kreeg je al pijn aan je ogen, Afijn, mijn moeder kijkt zo eens in de kinderwagen en zegt tegen die buurvrouw: “Nou, als ik het zelf gebreeën had, had ik het meteen weer uit gehaald.”
Kijk, toen kon je nog gewoon zeggen zoals het was. Nu zou je meteen een ram voor je kop krijgen. Nou ben ik zelf gelukkig niet bang uitgevallen en ik zou meteen een ram teruggeven. Maar leuker is het er allemaal natuurlijk niet op geworden.
Als jongen van zestien werkte ik in de bouw. Kreeg ik van mijn moeder mijn brood mee, verpakt in een krant. Kon ik 's middags de krant in spiegelbeeld van mijn brood af lezen.
Later hadden we van die blikken broodtrommeltjes. Je kent ze wel, die je op kunt vouwen als ze leeg zijn. Wilde je het van de werkbank pakken. Hadden ze er een draadnagel doorheen geslagen.
Kon je rukken wat je wou, maar je trommeltje kwam niet los.
Humor hadden ze wel in de bouw. Als het regende, droegen we van die rubberlaarzen. Wilde je ze
's middags na het schaften weer aantrekken, hadden ze er in staan pissen. Dat was lachen, natuurlijk.
Ja, mijn moeder was een best mens, maar voor de rest blijven vrouwen natuurlijk andere wezens.
Soms denk ik wel eens dat je nog beter een persoonlijke lening kan nemen; daar kom je tenminste nog een keer van af. Of je moet homo worden, maar ja, dan moet je de hele dag gebukt staan en ik heb al zo'n last van mijn rug.
Of ze nou voelt, dat er een gevoelig onderwerp wordt aangeroerd of dat ze uit ervaring weet dat het einde van de conférence hiermee is aangebroken is niet helemaal duidelijk, maar zijn vrouw, die tot nu toe geduldig als een opgetuigde kerstboom heeft staan wachten, pakt haar man bij de arm. Stijf gearmd verdwijnen ze over de brug. Gelukkig met elkaar en met weer een geslaagd optreden.
ZIEKENHUIS
Als we de wachtkamer binnen komen zit ze er al. Als een vorstin in haar rolstoel.
Sommige mensen worden stil, als ze een vervelend onderzoek moeten ondergaan. Anderen krijgen juist praatjes. Bij deze Amsterdamse vrouw, is wel duidelijk, dat ze tot de tweede categorie behoort.
Haar twee dochters zijn mee gekomen om haar te steunen, maar die hebben duidelijk minder te vertellen. Ze heeft de onverdeelde aandacht van de hele wachtkamer, en met haar onvervalst plat Amsterdams accent maakt ze de ene na de andere grappige opmerking en heeft daarmee al gauw de lachers op haar hand.
Dan wordt ze door een verpleegster opgehaald. Even heerst er een ongemakkelijke stilte, tot iedereen weer een tijdschrift heeft gepakt en in zijn of haar lectuur verdiept is.
Een uurtje later zie ik haar langzaam bijkomen. Ze heeft een roesje gehad en ligt in de recovery kamer. Haar dochters zijn er nog niet. Die dachten waarschijnlijk, dat het allemaal wat langer zou duren.
Als ze nog maar nauwelijks de ogen open heeft, begint ze al weer te praten. Eerst een beetje in zichzelf, maar later tegen de mensen die links en rechts van haar liggen bij te komen. Maar daar valt nog geen reactie van te verwachten, die zijn nog te ver weg.
Gelukkig komt er even later een verpleegster binnen. “Zuster, zuster” roept de vrouw, “mag ik al naar huis?”
De verpleegster gaat even bij haar kijken. Raadpleegt haar horloge en beslist dan, dat het nog veel te vroeg is. “Nee”, zegt ze U moet zeker nog een half uurtje blijven, en bovendien praat U nog met een dubbele tong”.
Een beetje verongelijkt gaat de vrouw maar weer liggen.
Even later komen haar dochters binnen. “Mag je al bijna naar huis mam ?” vragen ze.
“Nee” zegt ze, de zuster zegt dat ik nog met een dubbele tong praat”.
“Ja, maar”, zegt een van haar dochters, heb je dan wel verteld, dat je een tia hebt gehad, en altijd met een dubbele tong praat.
Als op dat moment de verpleegster weer binnen komt roept de vrouw door de zaal:
“Zuster, zuster, ik heb een Tia Maria gehad, daarom praat ik met een dubbele tong!”
REDDENDE ENGEL
Een tijdje terug kwam ik in een oud gedeelte van Amsterdam terecht. Het was een oude arbeiderswijk, die gedeeltelijk rijp was voor de sloop en voor een gedeelte al gesloopt is. Toen ik langs een café liep, waarvan de bovenverdiepingen al dicht getimmerd waren, tolde er een man naar buiten, die terplekke dreigde neer te storten, wat ik nog nèt kon voorkomen.
Hij keek me aan alsof ik een reddende engel was, die speciaal uit de hemel was neergedaald om hem op te vangen. Omdat deze onverwachte hulp van hogerhand zich nu toch eenmaal had aangediend, leek het hem ook heel normaal om daar tijdens de verdere tocht naar zijn huis gebruik van te maken.
Alleen, zo dacht hij waarschijnlijk, zou hij het toch nooit redden. Of ik hem maar even een arm wilde geven. Slingerend en struikelend begaven we ons op weg.
''Rot kroeg'', sprak hij met dubbele tong.
''Waarom'', vroeg ik.
''Ze willen me niet meer schenken".
Omdat ik geleerd heb dat je dronken mensen nooit moet tegen spreken, zei ik maar dat dit inderdaad niet zo aardig van ze was. Onderweg kwamen we hier en daar een paar mensen tegen.
Omdat het, volgens mij, voor buitenstaanders -gezien de situatie- moeilijk was in te schatten, wie van ons beiden nou dronken was -of dat we het misschien wel allebei waren-, sprak ik op die momenten maar een paar opbeurende woorden. Zo van: ''gaat het een beetje?'' en: "we zijn er bijna hoor!'', daarbij een gezicht trekkend, zo van: "Daar ben ik weer mooi mee opgescheept!"
Mijn vraag, waar hij nou eigenlijk precies woonde, beantwoordde hij met een armzwaai die de hele wijk leek te omvatten. Maar na een tijdje in de buurt te hebben rond gezworven, kwam er toch iets van herkenning in zijn blik en bleef hij voor een verveloze deur stil staan.
Of hij de sleutel bij zich had, vroeg ik. Ja, zei hij en wees op zijn broekzak. Kennelijk achtte hij zichzelf niet meer in staat om de sleutel uit zijn broekzak te vissen en met enige tegenzin nam ik deze taak op me.
Na wat zoeken in de bos sleutels lukte het me de deur open te maken. In het schemerdonker werd een trap zichtbaar die zo steil omhoog ging dat het me onverantwoord leek de man alleen de trap op te laten gaan.
“Op welke verdieping woont U?”, vroeg ik. De man mompelde wat en wees naar boven.
We begonnen aan een moeizame tocht omhoog. Hij voorop en ik er achteraan, klaar om hem op te vangen.
Al gauw bleek dat laatste nodig te zijn. De man verloor zijn evenwicht en door hem tegen zijn achterste te duwen, kon ik nog net voorkomen dat hij naar beneden viel.
Bij deze actie kwam ik tot mijn schrik met mijn hand in een grote natte plek terecht. Hij had in zijn broek geplast en in het schemerdonker zag ik. dat er nog maar weinig droge plekjes waren.
In stilte bad ik dat hij op de eerste verdieping woonde. maar dat bleek helaas niet het geval.
Inmiddels had ik hem bij zijn broekriem vastgepakt; het enige droge plekje dat ik nog kon vinden.
Vier lange hoge trappen heb ik hem voor me uit moeten duwen.
Omdat ik hem op die steile trap bij zijn riem vast moest houden, kwam ik met mijn gezicht steeds gevaarlijk dicht bij die natte broek.
Toen we uiteindelijk op de zolderverdieping kwamen, bleek hij op een zolderkamertje te wonen dat voor het grootste gedeelte door een bed in beslag werd genomen.
Daarop liet hij zich vallen.
Op mijn vraag of het zo verder wel ging, kreeg ik geen antwoord meer.
Met een beetje schuldgevoel heb ik toen de deur maar zachtjes dicht getrokken……
PARKEREN IN AMSTERDAM.
Hebben jullie dat ook wel eens, dat je je nog steeds enorm kan opwinden over iets dat jaren geleden gebeurd is. Ik weet niet eens meer waarvoor, maar ik moest toen op de Lindengracht in hartje Jordaan zijn. Midden in de straat is een strook, waar je als er geen markt is van twee kanten kan parkeren. Het was redelijk druk, maar gelukkig vond ik nog een smal plekje, waar ik met moeite mijn oude bestelbus waar ik toen in reed tussen kon wurmen. De bus had geen stuurbekrachtiging en bij het inparkeren had ik alle aandacht van de mensen op het terras recht tegenover mij. Als mensen naar mij kijken als ik onder moeilijke omstandigheden parkeer, word ik altijd een beetje nerveus, maar gelukkig ging alles zonder problemen en kon ik de boodschap doen waar ik voor gekomen was.
Toen ik na een half uurtje terug kwam, bleek iemand zijn auto voor me op de rijweg geparkeerd te hebben, zodat mijn uitrit grotendeels geblokkeerd was. In de veronderstelling, dat iemand even iets moest laden of lossen, bleef ik rustig wachten. In Amsterdam moet je nou eenmaal een beetje geduld hebben. Toen na een minuut of vijf de eigenaar van de auto nog niet was gearriveerd, begon ik toch wel een beetje ongeduldig te worden en drukte ik een paar keer op mijn claxon. Dit had geen enkel effect en ik besloot toen toch maar te proberen uit mijn benarde positie weg te rijden. Intussen was er iemand van het terras opgestaan, die mijn verrichtingen met belangstelling volgde. Terwijl ik in steeds grotere opwinding met een vuurrood hoofd van kwaadheid aan mijn stuur draaide, riep hij me intussen wat nuttige aanwijzingen toe. Zo vroeg hij zich hardop af, waarom ik daar nou toch was gaan staan, dat ik me niet zo druk moest maken omdat dat slecht voor mijn bloeddruk was en hij raadde me aan om de volgende keer een auto met stuurbekrachting te nemen. Stuk voor stuk nuttige opmerkingen, die mij zo langzamerhand tot het kookpunt brachten. Nadat het me onder het toeziend oog van de man en de belangstelling van het volledige terras uiteindelijk gelukt was me uit het benauwde parkeerplekje te bevrijden, wist ik niet hoe snel ik weg moest komen. Toen ik nog even in mijn achteruitkijkspiegel keek, kon ik nog net zien, hoe de man naar zijn vrienden op het terras zwaaide, in de auto stapte die mijn uitrit al die tijd geblokkeerd had en vervolgens op zijn gemak weg reed.
AMSTERDAM
Als ik op een stille zondagmorgen
op een brug over het water sta te kijken,
fietst er een man achter me langs,
die roept:
"HEE MAN NIET SPRINGEN HOOR!"
Dat vind ik nou de charme van Amsterdam

Geen opmerkingen:
Een reactie posten